Nieuws

Externe financiering land- en tuinbouwbedrijven in tien jaar verdubbeld

Het geleende bedrag is de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. Van gemiddeld € 315.000 naar € 700.000 per bedrijf. Banken hebben een groot aandeel in de externe financiering van land- en tuinbouwbedrijven. Door de crisis in de financiële sector en lage rendement in de sector zijn banken kritischer geworden. Ondernemers kunnen minder geld lenen.

Mix van financieringen

Om innovaties en verduurzaming in de land- en tuinbouwsector tot stand te brengen, maakt een ondernemer steeds meer gebruikt van een mix van financieringsproducten. Zoals crowdfunding en kredietunies. Deze alternatieve financieringsvormen winnen mogelijk in de toekomst in de land – en tuinbouw aan omvang. Met name lokale voedselinitiatieven maken gebruik van deze vorm van financiering. Voorwaarde is wel dat het project potentiële participanten aanspreekt en binding creëert. Daarnaast zijn kredietunies – coöperaties van ondernemers binnen een branche of regio – en participaties een mogelijkheid. Banken zijn bij een mix van financiering ook sneller bereid geld uit te lenen.

Economische waarde van agrarische sector

De invoer- en uitvoerwaarde van agrarische producten namen in 2013 licht toe ten opzichte van 2012. De invoer steeg met 2% tot bijna 56 miljard. De uitvoer nam met ongeveer 5% toe tot ruim 83 miljard. In tegenstelling tot de totale Nederlandse handel, waarvan zowel de invoer- als de uitvoerwaarde daalde in 2013. Het overgrote deel – 80% van de uitvoer, 56% van de invoer – van de Nederlandse agrarische handel vindt plaats binnen de EU.

Belang van agrocomplex voor Nederlandse handel

Vlees, sierteeltproducten en zuivel zijn de meest geëxporteerde Nederlandse producten naar Europa. Uitvoer naar derde landen zijn voornamelijk bewerkte producten, zoals dranken, zuivel, graanbereidingen en sierteeltproducten. De export draagt voor tweederde bij aan de toegevoegde waarde en werkgelegenheid van het agrocomplex. Het belang van het agrocomplex voor de totale economie blijft stabiel en ligt rond de 9%.

Nederland is de kraamkamer van Europa

Primaire producties verplaatsen steeds vaker naar het buitenland. Eerder was dit al bij de verplaatsing van de rozenproductie naar Kenia zichtbaar. Een ander actueel voorbeeld is de verschuiving binnen de varkenssector. De zeugenhouderij in Nederland ontwikkelt zich sterker dan de vleesvarkenshouderij. Zowel in schaalgrootte, als productiviteit en concurrentiekracht. De Nederlandse vleesvarkenshouderij is in Europa qua concurrentiekracht een middenmoter. Daarentegen de zeugenhouderij vormt samen met die in Denemarken de wereldtop in zeugproductiviteit.

Mogelijke gevolgen Nederlandse agrocomplex.

In veel Midden- en Oost-Europese landen is voldoende milieugebruiksruimte (land, grondstoffenteelt voor veevoer), goedkopere huisvesting en lagere lonen hebben. Daarmee zou op de lange termijn een ruimtelijke spreiding met meer nadruk op biggenproductie in Noordwest-Europa. En ook op vleesvarkenshouderij en vleesindustrie in Midden- en Oost-Europa verwacht kunnen worden. Laan van Staalduinen, algemeen directeur Wageningen Universiteit: “Het verplaatsen van productie in Nederland naar andere landen heeft gevolgen voor het Nederlandse agrocomplex als totaal. Het is zaak goed te kijken naar je toegevoegde waarde als land- en tuinbouwsector. Maar je ook af te vragen hoe groot de primaire sector moet zijn om als totaal vitaal te blijven en de toppositie wereldwijd te laten behouden. Waarop specialiseren we ons, wat wil of kan Nederland in de toekomst nog produceren?”.

Please follow and like us:
RSS
Nieuwsberichten