Wettelijke eisen toedienen
Voor professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen zijn twee regelkaders van groot belang:
- de algemene milieuregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL), dat onder de Omgevingswet valt;
- de middelspecifieke voorschriften uit het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG), zoals vastgesteld door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).
Deze regels beschermen mens, milieu en natuur en houden tegelijk effectieve gewasbescherming mogelijk. Op deze pagina lees je wat beide kaders inhouden, welke eisen er gelden en hoe ze samenhangen.
Het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL)
Het BAL bevat algemene regels voor activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn vooral de regels uit paragraaf 4.64 (“Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen”) van belang. Die gelden bij het telen van gewassen in de open lucht en zijn gericht op het voorkomen van emissies naar oppervlaktewater en het beperken van drift. Onder andere deze eisen gelden:
- Gebruik van driftreducerende technieken. Welke driftreductie minimaal vereist is, hangt af van de teelt, de locatie en eventuele aanvullende voorschriften; in veel situaties geldt een minimum van 75%. De erkende technieken staan op de landelijke DRT-lijst (Drift Reducerende Technieken).
- Teeltvrije zones en bufferstroken. Langs oppervlaktewater houd je teeltvrije zones en bufferstroken aan, zodat gewasbeschermingsmiddelen niet rechtstreeks in het oppervlaktewater terechtkomen. De exacte breedte hangt af van de teelt en de toepasselijke regelgeving.
- Windsnelheid en goede landbouwpraktijk. Je mag niet spuiten onder omstandigheden waarbij de kans op drift te groot wordt, en je neemt alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om emissies naar het milieu te voorkomen.
- Specifieke zorgplicht. Naast de concrete voorschriften geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het BAL. Die verplicht je om alle passende maatregelen te nemen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, ook als je al aan de expliciete regels voldoet.
Het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG)
Naast de algemene milieuregels moet je ieder gewasbeschermingsmiddel gebruiken volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift (WG). Dit voorschrift bepaalt in welke geassen en tegen welke ziekten, plagen of onkruiden een middel gebruikt mag worden. Het WG hoort bij de toelating die het Ctgb verleent. Alleen middelen die het Ctgb heeft toegelaten, mag je in Nederland gebruiken. Het WG is juridisch bindend; afwijken is niet toegestaan.
In het WG ligt voor ieder middel vast:
- Wat de maximale dosering is;
- Het maximale aantal toepassingen;
- De minimale intervallen tussen toepassingen;
- En eventuele maximale hoeveelheden per jaar of per teeltcyclus.
Deze voorschriften zijn gebaseerd op de beoordeling van werkzaamheid en veiligheid door het Ctgb.
Driftreductie en aanvullende gebruiksvoorwaarden
Voor veel middelen stelt het WG aanvullende eisen bovenop de algemene BAL-regels, zoals:
- hogere driftreductieklassen;
- bredere teeltvrije zones;
- specifieke spuittechnieken;
- beperkingen rond weersomstandigheden;
- voorschriften ter bescherming van waterorganismen, bestuivers of omwonenden.
Persoonlijke beschermingsmiddelen
Het WG kan voorschrijven welke persoonlijke beschermingsmiddelen je moet gebruiken tijdens het mengen, vullen, toepassen of reinigen van apparatuur. Deze voorschriften zijn verplicht en horen bij de toelating van het middel.
Apparatuur en vakbekwaamheid
Professionele toepassingen voer je uitsluitend uit met goedgekeurde en periodiek gekeurde apparatuur. Voor landbouwspuiten betekent dit een geldige SKL-keuring. Daarnaast moet je beschikken over een geldig bewijs van vakbekwaamheid (spuitlicentie).
Vanaf 2027 wordt voor veel vloeibare gewasbeschermingsmiddelen in verpakkingen van 1 tot 20 liter bovendien een gesloten vulsysteem verplicht, om emissies tijdens het vullen van spuitmachines verder terug te dringen.
Samenspel tussen BAL en WG
Het BAL stelt de algemene milieuregels vast, het WG de middelspecifieke gebruiksvoorwaarden. Zijn beide van toepassing, dan geldt altijd de strengste eis.
Een voorbeeld: volgens het BAL zou je met een 75% driftreducerende techniek mogen werken, maar schrijft het WG van het middel een 95% driftreducerende techniek voor, dan moet je die 95% gebruiken.
Toekomstige ontwikkelingen
De regelgeving rondom gewasbescherming ontwikkelt zich voortdurend. Naast strengere emissie-eisen wordt steeds vaker gekeken naar de bijdrage van innovatieve technieken aan risicoreductie. Precisietoepassingen, spotsprayers, cameragestuurde systemen en gesloten vulsystemen kunnen zorgen voor minder drift, minder emissies en een lager middelengebruik.
Daardoor ontstaat steeds nadrukkelijker de discussie hoe niet alleen het middel zelf, maar ook de prestaties van de toepassingstechniek kunnen meewegen bij risicobeoordelingen en gebruiksvoorwaarden. Zo verschuift de aandacht geleidelijk van een uitsluitend middelgerichte naar een meer prestatiegerichte benadering van gewasbescherming.